Een voldoende
Kwart over acht. In de taxi richting kantoor.
Ik ben voorin gaan zitten.
Dat vind ik wel zo netjes.
Het uiterlijk van de taxichauffeur voldoet precies aan mijn verwachting.
Klein, gedrongen, licht kalend en onzorgvuldig geschoren.
De eerste paar minuten houdt hij zich stil, maar dan begint de chauffeur door het halfopen raam een vrouwelijke fietser op volle kracht uit te schelden. Grof (‘Het is rood, domme doos’) en vol agressie (‘donder op, blinde gek!’).
Hier was ik al bang voor.
Ik hou niet van dit soort taalgebruik, maar het is niet mijn plaats om er iets van te zeggen.
Een taxichauffeur hoeft geen verantwoording aan me af te leggen.
Ik ben te gast in zijn wereld.
Na zijn tirade valt het stil.
De scherpe geur van tabak slaat op mijn longen. Waarschijnlijk rookt deze man sigaretten – nee, sjekkies – stiekem, tussen de ritten in.
Mag dat eigenlijk wel?
Ik haal diep adem.
‘Het is druk op de weg,’ zeg ik.
De chauffeur maakt een grommend geluid.
‘Het is overal druk,’ zegt hij. ‘Dit land is te vol. Te weinig hardwerkende mensen en te veel profiteurs; heb ik gelijk of niet?’
Ik onderdruk de aandrang om uit beleefdheid mee te knikken.
‘Heb je het voetbal nog gezien?’ vraag ik.
De chauffeur geeft niet gelijk antwoord.
‘Het is helemaal niks meer,’ zegt hij dan. ‘Ze hebben alle toppers verkocht en brandhout teruggehaald.’
Hij draait zijn hoofd in mijn richting en kijkt verwachtingsvol.
‘Over welk voetbalteam heb je het?’ vraag ik.
We slaan linksaf, richting Trompenburgerstraat. Nog minstens tien minuten te gaan.
De chauffeur kijkt me nogmaals aan, deze keer iets langer.
‘Volg je voetbal?’
Ik heb hoofdpijn. Het is een zware week geweest, en ik heb vannacht slecht geslapen. Wellicht is dat de reden dat ik – tegen mijn gewoonte in – besluit volledig eerlijk en transparant te zijn.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik heb niks met voetbal. Ik begon er alleen maar over uit beleefdheid.’
De chauffeur knikt. Hij steekt zijn hand uit het raam en geeft een andere auto met drukke handgebaren het signaal om door te rijden. Nu staan we stil voor een stoplicht.‘Dat is helemaal niet erg,’ zegt hij.
Het licht springt op groen en we trekken op. Er valt weer een stilte, maar deze keer voelt het minder pijnlijk. De chauffeur lijkt nu diep verzonken in gedachten.
‘Zal ik je iets geks vertellen?’ vraagt hij, en daarna, zonder op antwoord te wachten: ‘Ik heb ook niks met voetbal.’
Ik weet niet of dit als een grapje bedoeld is, maar ik lach voor de zekerheid.
‘Dit is mijn eigen stem niet eens.’
‘Sorry?’
‘Dit is mijn stem niet,’ herhaalt hij. ‘Dit is hoe ik praat buiten mijn werk.’
Zijn toon is totaal veranderd. Hij praat hoger, het platte Amsterdamse accent is verdwenen, en elk woord dat hij spreekt wordt op indrukwekkend zorgvuldige wijze gearticuleerd.
‘Ik doe het voor de klanten,’ zegt de chauffeur. ‘Hoe simpeler ik me voordoe, hoe meer fooi ik krijg. Passagiers zitten niet te wachten op diepgaande gesprekken.’
Hij haalt zijn schouders op – wat een ludiek gezicht is, met zijn handen aan het stuur – alsof hij zich heeft neergelegd bij deze onbreekbare wet van het universum.
Ik schud mijn hoofd en kijk zo verbaasd mogelijk.
‘Wat een onzin. Wees gewoon jezelf, hoor.’
Ik zie een glimlach, en opluchting.
De chauffeur begint te vertellen over zijn universitaire verleden, de banen die hij hiervoor heeft gehad; docent geschiedenis op een havo, directeur bij een telemarketingbedrijf en ambtenaar.
‘Zo blij dat ik weg ben bij de overheid,’ zegt hij.
Ik vraag waarom.
Nu steekt hij zijn hoofd uit het raam en roept iets onverstaanbaars naar een te langzaam invoegende oude dame in een groene kever.
‘Ambtenarij is werk voor mensen die het leven hebben opgegeven,’ vervolgt hij dan. ‘Trieste robots.’
De poging tot glimlachen gaat me deze keer moeizaam af.
‘Ik ben ambtenaar,’ zeg ik.
We rijden na deze bekentenis zeker twintig seconden in stilte verder.
De ongemakkelijkheid is terug. In de verte zie ik mijn gebouw. Geen moment te vroeg.
‘Als jij je leven een cijfer zou moeten geven, wat zou het dan zijn?’ vraagt de chauffeur. ‘Eerlijk zeggen, niet over nadenken!’
‘Zes,’ zeg ik. ‘Vijfenhalf.’
‘Vijfenhalf!?’
Zijn mond valt op een cartooneske manier open.
‘Dat is niet eens een voldoende! Ben je ziek? Kanker? Zware schulden?’
‘Nee, alles gaat zijn gangetje.’
‘Alles gaat zijn gangetje!?’
Ineens remmen we.
De taxi komt met een schok tot stilstand, waardoor ik naar voren schiet en de veiligheidsriem in mijn maag snijdt.
De chauffeur haalt zijn handen van het stuur en draait zich naar me toe. Wanneer hij me aankijkt is het met een intensiteit die ik nog nooit heb gezien in het echte leven (slechts een paar keer op de meest dramatische momenten in jaren vijftig speelfilms).
‘Een vijfenhalf,’ zegt hij. ‘Dat is een absolute schande!’
Het is snikheet geworden in de taxi. Ik zou hier kunnen uitstappen. We staan niet precies voor de deur, maar vanaf dit punt ben ik binnen een minuut op kantoor.
‘Wat wil je?’ vraagt de chauffeur.
‘Ik snap niet wat u bedoelt.’
‘Je snapt me heel goed. Wat wil je?’
‘Ik wil weg!’ roep ik.
God, wat klinkt mijn stem hoog ineens.
‘Weg?’
Hij schiet naar voren tot zijn neus praktisch de mijne raakt.
‘Waarheen?’ schreeuwt hij. ‘Waar wil jij heen?’
‘Ik wil naar mijn werk!’
‘Nee, daar moet je heen. Waar wil je heen!??’
Met mijn rechterhand probeer ik de deur te openen; zenuwachtig geruk aan de hendel.
Het lukt niet.
Ik zit vast.
‘Er is niks aan de hand,’ roept de chauffeur, alsof hij mijn gedachten heeft gelezen. ‘Maar ik wil een antwoord! WAT WIL JE?’
Hij legt zijn handen op mijn schouders. Niet agressief; praktisch in slow motion, wat het nog enger maakt.
Een moment lang ben ik bang dat ik flauw ga vallen.
Ik kom deze taxi niet meer uit.
Zeg iets.
Wat dan ook!
‘ROND DE WERELD ZEILEN!’
Iemand anders – diep onderin mijn hoofd verstopt – heeft het geroepen.
Maar het is de waarheid.
Het is wat ik altijd heb gewild.
Haren in de wind. Hand aan het roer. Week na week, jaar na jaar.
Altijd op weg naar een nieuwe bestemming.
‘Rond de wereld zeilen,’ roep ik nog een keer, maar nu met meer beheersing.
Het voelt goed, enorm goed, om het hardop te zeggen.
De chauffeur lacht. Een vrolijke, bijna extatische lach. Hij beweegt naar achteren, haalt zijn handen van mijn schouders en geeft me een vriendschappelijke tik op de knie.
‘Afgesproken, vriend,’ zegt hij. ‘Jij gaat vanaf maandag een jaar lang rond de wereld zeilen. Hier is mijn kaartje. Bel me als je hebt ingepakt, dan rij ik je gratis naar de haven.’
Ik begin te lachen, voluit en honderd procent gemeend, maar al snel zachter en zachter, tot mijn lach na een seconde of tien volledig in de hitte is opgelost.
Ik schud mijn hoofd.
‘En dan? Moet ik mijn baan opzeggen? En wat zeg ik tegen mijn vrouw?’
De chauffeur schiet me een spottende blik.
‘Houd jezelf niet voor de gek! Je haat je baan en je vrouw ben je al jaren kwijt. Heb ik gelijk of niet?’
Stilte.
De chauffeur lijkt geschrokken. Alsof hij begrijpt dat er zojuist een onzichtbare grens is overschreden.
‘Ik ben hier niet van gediend,’ piep ik.
Ik vraag of ik kan pinnen en betaal de rit zonder oogcontact te maken.
Geen fooi.
Nadat ik, zo snel mogelijk, ben uitgestapt, hoor ik een stem vanuit de auto. Onzeker, nederig. Het Amsterdamse accent is terug.
‘Mijn excuses.’
‘Dat is nu te laat,’ zeg ik.
Ik loop door zonder me om te draaien.
Voor de ingang van mijn kantoor blijf ik even staan.
Ik veeg wat zweet van mijn voorhoofd en kijk naar mijn spiegelbeeld in het glas van de voordeur.
Geen zorgen.
Ik ben veilig.
Merel en ik kunnen het goed met elkaar vinden. Nog steeds, na al die jaren.
Ja, het is minder spannend dan vroeger, maar dat is volkomen normaal.
En mijn baan is wellicht geen uitdaging, maar ‘haat’ is zwaar overdreven.
Ik heb, goed beschouwd, weinig te klagen.
Vijfenhalf was een te lage inschatting.
Ik scoor een voldoende.


dank!
Mooie wendingen in dit verhaal!